Useful sentences
Finding the tourist office, and asking what there is to see.
Grammar
Negating longer sentences, moving time or place to the front, and the many jobs of er.
a. Negation in longer sentences
As covered in Chapter 7, niet normally goes right before whatever it negates — but the V2 rule always wins. Niet can sit in front of a verb, an adverb, or an adjective — but never in front of the finite verb.
In longer sentences with two verbs (left / middle / right parts), the negation usually concerns the verb, so niet most commonly sits between the middle and right parts, right before the non-finite verb:
| Left | Middle & dir. obj. | niet | Right |
|---|---|---|---|
| Ze kan | het boek | niet | lezen. |
| Ik heb | mijn postzegels | niet | ingeplakt. |
| Esther heeft | dat schilderij gisteren | niet | afgemaakt. |
Sometimes niet instead goes before time, place, manner, or the direct object — to stress that it's that being negated, not the verb itself:
| Left | niet | Middle & dir. obj. |
|---|---|---|
| Esther gaat | niet | elke dag hardlopen. |
| Kees wil | niet | graag tennissen. |
| Mijn broer speelt | niet | gitaar, maar drums. |
een), these placement rules don't apply — een is simply replaced by (or joined by) geen.b. Inversion
We know a sentence breaks into Left (subject + finite verb), Middle (time, manner), and Right (place, second verb):
| Left | Middle | Right | ||
|---|---|---|---|---|
| Ik heb | zojuist | netjes | in de keuken | afgewassen |
| Loes en Jaap komen | morgen | gezellig | bij ons | eten. |
That's the standard order — but "time" or "place" can also move to the very front of the sentence. When they do, the subject and finite verb swap places (inversion):
| "In de keuken heb ik zojuist netjes afgewassen." |
| "Morgen komen Loes en Jaap gezellig bij ons eten." |
c. The many uses of "er"
Er often stands in for something already mentioned, or about to be:1
| Ik ben in Utrecht → ik ben er. | I am in Utrecht → I am there. |
| Jij studeert aan die universiteit → jij studeert er. | You study at that university → you study there. |
| Zij vertellen over hun werk → zij vertellen erover | They talk about their work → they talk about it. |
Sometimes er acts as a placeholder subject, with the real (non-specific, undefined) subject following later — and this also triggers inversion:
| Een man komt binnen. | A man enters. |
| Er komt een man binnen. | Some guy enters (could be any man). |
| Dikke wolken hangen boven de stad. | Heavy clouds are hanging over the city. |
| Er hangen dikke wolken boven de stad. | Some heavy clouds are hanging over the city. |
| Twee mensen waren vrolijk aan het praten. | Two people were talking cheerfully. |
| Er waren twee mensen vrolijk aan het praten. | (Some) two people were talking cheerfully. |
| Een paar mensen kwamen te laat. | A few people arrived late. |
| Er kwamen een paar mensen te laat. | A few (any) people arrived late. |
1. More on "er": dutchgrammar.com
Exercises
Negate, fill in "er," pick a preposition, then translate.
1Make these sentences negative, with "niet" or "geen"
- 01Ik zie de appel. e.g. Ik zie de appel niet
- 02Ik zie een appel liggen. …
- 03Ik wil de appels proeven. …
- 04Jij zit ontspannen op de bank. …
- 05Kees eet graag een ijsje. …
- 06Zij zien een kind hardlopen. …
- 07Zij zien het kind hardlopen. …
- 08Wij hebben gisteren buiten gewandeld. …
- 09Jullie willen in de tuin werken. …
- 10Hij wil de vlag uit het raam hangen. …
- 11Hij wil een vlag uit het raam hangen. …
- 12Zij willen thuis voetbal kijken. …
- 13Jullie hebben buiten les gehad. …
- 14De man laat de hond netjes aan de lijn lopen. …
- 15Wij gaan morgen een feest geven. …
2Fill in: er / is / zijn
- 01Waar is … moderne kunst te vinden?
- 02Er … een aantal museums in Utrecht.
- 03In Amsterdam zijn … nog meer.
- 04Het Rijksmuseum … er bijvoorbeeld.
- 05… er ook nog historische museums?
- 06… er ook een dierentuin?
- 07In Rhenen is … een dierentuin.
- 08Ze hebben … een berenbos.
3Fill in: in / op
- 01Waar is Sanne? Sanne is … het postkantoor.
- 02Waar spreken we af? We spreken af … de dam.
- 03Waar is de rondleiding? De rondleiding is … de Dom.
- 04Waar kan ik brood kopen? Je kan brood kopen … de supermarkt.
- 05Waar zullen we een biertje drinken? We gaan een biertje drinken … het terras.
4Translate
- 01In the centre there are nice cafes.
- 02It is always busy there.
- 03There are many people on the street.
- 04There are nice excursions in the city.
- 05Some heavy clouds are hanging over the city.
5Rewrite using "er"
Example
Op straat zijn veel mensen. → Er zijn veel mensen (op straat)
- 02Bij de Dom is een café. → Er…
- 03Ik fiets in de stad. → Ik…
- 04Jan zit in de auto. → Jan…
- 05Gisteren ging ik naar de les toe. → Ik…
Word list
Sights around town, the zoo, and every colour in the box.