Useful sentences
Telling a friend everything you did this week.
Verhaaltje · A little story
We gingen elk jaar op vakantie.
We went on holiday every year.
Mijn zus wilde zelf op vakantie.
My sister wanted to go on holiday without her parents.
Ze huurde een auto en reed naar België met vrienden.
She rented a car and drove to Belgium with friends.
Daar kwamen ze een stel Duitsers tegen.
There they met a couple of Germans.
Samen bezochten ze Belgische vrienden.
Together they visited Belgian friends.
Ze hebben daar veel Belgische bieren gedronken.
There they drank a lot of Belgian beers.
Dat zijn de beste bieren van Europa en dus van de wereld.
Those are the best beers of Europe — and so of the world.
Dat vonden de Nederlanders.
That was the opinion of the Dutch.
De Duitsers waren het daar niet mee eens.
The Germans disagreed.
Die vonden natuurlijk hun bieren beter.
Of course, they felt their own beers were better.
Ze hebben net zo lang bier gedronken totdat de Duitsers overtuigd waren.
They kept drinking beer until the Germans were convinced.
Tot slot hebben ze nog een flinke zak frieten genomen.
Eventually they got themselves a huge portion of fries.
Grammar
The present perfect — the tense Dutch reaches for most often when talking about the past.
Present perfect
We've seen that the simple past is formed with [stem] + -de or -te. For the present perfect:
- take the
[stem] - put
ge-in front - add
-dor-tat the end
Whether you use -d or -t follows the same 'T FoKSCHaaP rule from Chapter 5. Most of the time, the present perfect is completed with the auxiliary hebben.
Ge-[stem]-d
| rennen → hebben gerend | to run → have run |
| reizen → hebben gereisd | to travel → have travelled |
| leren → hebben geleerd | to learn → have learned |
Ge-[stem]-t — when the stem ends in 'T FoKSCHaaP
| kloppen → hebben geklopt | to knock → have knocked |
| maken → hebben gemaakt | to make → have made |
| fietsen → hebben gefietst | to bike → have biked |
With be-/ver- verbs — no ge-1
| beklimmen → hebben beklommen | to climb → have climbed |
| bezoeken → hebben bezocht | to visit → have visited |
| verbranden → zijn verbrand | to burn → have burned |
Irregular
| zijn → zijn geweest | to be → have been |
| hebben → hebben gehad | to have → have had |
| gaan → zijn gegaan | to go → have gone |
| doen → hebben gedaan | to do → have done |
| lopen → hebben gelopen | to walk → have walked |
1. This only applies to ver- when it's unstressed.
Zijn or hebben?
Sometimes the present perfect takes zijn instead of hebben (as with geweest above). The rules are genuinely complicated — it's easiest to just learn each verb by heart.2
Present, simple past, present perfect — side by side
| Present | Simple past | Present perfect |
|---|---|---|
| ik werk | ik werkte | ik heb gewerkt |
| jij fietst | jij fietste | jij hebt gefietst |
| Kees leert | Kees leerde | Kees heeft geleerd |
| Jan loopt | Jan liep | Jan heeft gelopen |
| Piet kijkt | Piet keek | Piet heeft gekeken |
| ik ben | ik was | ik ben geweest |
| ik ga uit | ik ging uit | ik ben uit gegaan |
2. More on zijn vs. hebben: dutchgrammar.com
Exercises
Fill in every tense, convert between them, then tell your own story.
1Fill in the right forms
| Present | Simple past | Present perfect |
|---|---|---|
| ik werk | ik werkte | ik heb gewerkt |
| hij fietst | hij … | hij … |
| hij loopt | hij … | hij … |
| wij rennen | wij … | wij … |
| jij … | jij huurde | jij … |
| wij hebben | wij … | wij … |
| ik … | ik was | ik … |
| zij … | zij … | zij hebben gekeken |
| jij … | jij ging | jij … |
2Simple past → present perfect
- 01Ik liep door het bos.
- 02Mijn moeder kookte het eten.
- 03Jan ging vorige week naar zijn werk.
- 04Liza en Jasper organiseerden een feestje.
- 05Wij aten gisteren boerenkool.
3Present perfect → simple past
- 01Ik ben van mijn fiets gevallen.
- 02Jij hebt inktvis gegeten.
- 03Kees heeft gisteren een wandeling gemaakt.
- 04Wij zijn vorige week begonnen met een nieuw hoofdstuk.
- 05De jongens hebben heel hard gelopen.
4Your turn — and the finish line
Write a story of at least ten sentences, using the simple past and/or the present perfect. That's the last exercise in the course — gefeliciteerd!
Word list
The last word list of the course — common verbs and a few everyday describing words.