Dutch Course for Beginners Take the Quiz →
12CHAPTER 12

Verleden

The past — wrapping up with the present perfect, Dutch's favourite past tense

Zinnen

Useful sentences

Telling a friend everything you did this week.

Deze week heb ik veel gedaan.I did a lot this week.
Ik heb elke dag hard gewerkt.I worked very hard every day.
Maandagavond heb ik gesport.Monday night I did sports.
Dinsdag heb ik Nederlands geleerd.Tuesday I learned Dutch.
Woensdag heb ik TV gekeken.Wednesday I watched TV.
Donderdag heb ik vergaderd.Thursday I had a meeting.
Vrijdag heb ik bij vrienden gegeten.Friday I had dinner with friends.
Zaterdag ben ik uit gegaan.Saturday I went out.
Zondag heb ik gewandeld in het bos.Sunday I walked in the forest.
Toen ik klein was, had ik blond haar.When I was little, I had blond hair.
Ik wilde nooit in bad.I never wanted to take a bath.
Mijn broer speelde veel met mij.My brother played with me a lot.
Ik fietste elke dag naar school.I biked to school every day.
Mijn moeder maakte in de winter erwtensoep.My mother made pea soup in winter.
Mijn moeder leerde mij koken.My mother taught me to cook.

Verhaaltje · A little story

We gingen elk jaar op vakantie.

We went on holiday every year.

Mijn zus wilde zelf op vakantie.

My sister wanted to go on holiday without her parents.

Ze huurde een auto en reed naar België met vrienden.

She rented a car and drove to Belgium with friends.

Daar kwamen ze een stel Duitsers tegen.

There they met a couple of Germans.

Samen bezochten ze Belgische vrienden.

Together they visited Belgian friends.

Ze hebben daar veel Belgische bieren gedronken.

There they drank a lot of Belgian beers.

Dat zijn de beste bieren van Europa en dus van de wereld.

Those are the best beers of Europe — and so of the world.

Dat vonden de Nederlanders.

That was the opinion of the Dutch.

De Duitsers waren het daar niet mee eens.

The Germans disagreed.

Die vonden natuurlijk hun bieren beter.

Of course, they felt their own beers were better.

Ze hebben net zo lang bier gedronken totdat de Duitsers overtuigd waren.

They kept drinking beer until the Germans were convinced.

Tot slot hebben ze nog een flinke zak frieten genomen.

Eventually they got themselves a huge portion of fries.


Grammatica

Grammar

The present perfect — the tense Dutch reaches for most often when talking about the past.

Present perfect

We've seen that the simple past is formed with [stem] + -de or -te. For the present perfect:

  • take the [stem]
  • put ge- in front
  • add -d or -t at the end

Whether you use -d or -t follows the same 'T FoKSCHaaP rule from Chapter 5. Most of the time, the present perfect is completed with the auxiliary hebben.

Ge-[stem]-d

rennen → hebben gerendto run → have run
reizen → hebben gereisdto travel → have travelled
leren → hebben geleerdto learn → have learned

Ge-[stem]-t — when the stem ends in 'T FoKSCHaaP

kloppen → hebben gekloptto knock → have knocked
maken → hebben gemaaktto make → have made
fietsen → hebben gefietstto bike → have biked

With be-/ver- verbs — no ge-1

beklimmen → hebben beklommento climb → have climbed
bezoeken → hebben bezochtto visit → have visited
verbranden → zijn verbrandto burn → have burned

Irregular

zijn → zijn geweestto be → have been
hebben → hebben gehadto have → have had
gaan → zijn gegaanto go → have gone
doen → hebben gedaanto do → have done
lopen → hebben gelopento walk → have walked

1. This only applies to ver- when it's unstressed.

Zijn or hebben?

Sometimes the present perfect takes zijn instead of hebben (as with geweest above). The rules are genuinely complicated — it's easiest to just learn each verb by heart.2

Present, simple past, present perfect — side by side

PresentSimple pastPresent perfect
ik werkik werkteik heb gewerkt
jij fietstjij fietstejij hebt gefietst
Kees leertKees leerdeKees heeft geleerd
Jan looptJan liepJan heeft gelopen
Piet kijktPiet keekPiet heeft gekeken
ik benik wasik ben geweest
ik ga uitik ging uitik ben uit gegaan

2. More on zijn vs. hebben: dutchgrammar.com


Oefeningen

Exercises

Fill in every tense, convert between them, then tell your own story.

1Fill in the right forms

PresentSimple pastPresent perfect
ik werkik werkteik heb gewerkt
hij fietsthij …hij …
hij loopthij …hij …
wij rennenwij …wij …
jij …jij huurdejij …
wij hebbenwij …wij …
ik …ik wasik …
zij …zij …zij hebben gekeken
jij …jij gingjij …

2Simple past → present perfect

  • 01Ik liep door het bos.
  • 02Mijn moeder kookte het eten.
  • 03Jan ging vorige week naar zijn werk.
  • 04Liza en Jasper organiseerden een feestje.
  • 05Wij aten gisteren boerenkool.

3Present perfect → simple past

  • 01Ik ben van mijn fiets gevallen.
  • 02Jij hebt inktvis gegeten.
  • 03Kees heeft gisteren een wandeling gemaakt.
  • 04Wij zijn vorige week begonnen met een nieuw hoofdstuk.
  • 05De jongens hebben heel hard gelopen.

4Your turn — and the finish line

Write a story of at least ten sentences, using the simple past and/or the present perfect. That's the last exercise in the course — gefeliciteerd!


Woorden

Word list

The last word list of the course — common verbs and a few everyday describing words.

Ik liep door het bos.….
Mijn moeder kookte het eten.….
Jan ging vorige week naar zijn werk.….
Wij aten gisteren boerenkool.….
Ik ben van mijn fiets gevallen.….
Jij hebt inktvis gegeten.….
De jongens hebben heel hard gelopen.….
elk / elkeeach
zelfself (herself/himself)
nooitnever
het bosforest
blondblond
donkerdark
de krullen / krullendcurls / culry
steilstraight
het haarhair
het badbath
de doucheshower
het feestjeparty
de wandelingwalk
het hoofdstukchapter
de erwtensoeppea soup
de inktvissquid
vergaderento have a meeting
uitgaanto go out
wandelento walk
spelento play
kokento cook
lerento learn / to teach
hurento rent
verhurento let
rijdento drive / to ride
kijkento look / to watch
straffento punish
lachento laugh
rennento run
naaiento sew
organiserento organize
vallento fall
beginnento begin
slapento sleep
Advertisement
← Previous11 · VVV